Kerngroepen

De Kerngroepen van Om-Shanti zijn ontstaan aan het einde van de jaren zestig van de vorige eeuw; het idee kwam voort uit de dagelijkse praktijk van het centrum “het Vuur”, (later in 1978 - 1980 omgevormd tot de stichting Om-Shanti) waar werd geconstateerd dat mensen (groepen) ondersteuning nodig hadden om hun idealen vorm te geven. In de loop der jaren zijn er meerdere Kerngroepen ontstaan, die allemaal hun eigen “identiteit” hebben en die op verschillende manieren hun doelen nastreven. De activiteiten die men ontplooit variëren van buurtwerk, mantelzorg, vrijwilligerswerk, stervensbegeleiding,  praat- en studiegroepen die zich bezighouden met levensbeschouwelijke onderwerpen, persoonlijke groei en ontwikkeling door middel van Yoga- Vedanta en meditatielessen, het ondersteunen een ziekenhuis in het buitenland, enz.

De exacte inhoud en vorm is elke keer afhankelijk van de personen die een Kerngroep vormen, ze zijn volledig onafhankelijk van Om-Shanti; deze stichting ondersteunt hen alleen op verzoek op allerlei terreinen, meestal op het gebied van scholing, publicaties, training, het organiseren van activiteiten, het vinden van accommodatie, enz. Soms participeren een aantal mensen van de stichting ook tijdelijk binnen een OntmoetingsHuis of een Om-Shanti afdeling (Kerngroep) bijvoorbeeld omdat men woonachtig is in de directe omgeving en actief wil deelnemen aan de verschillende activiteiten.

Algemene kenmerken van de Kerngroepen zijn dat men gezamenlijk iets onderneemt, maar z’n individuele vrijheid behoudt, respect heeft voor ieders levensovertuiging, zingeving belangrijk vindt en zich ook bekommert om z’n medemensen. De stichting voert geen actief beleid om Kerngroepen op te zetten, maar tracht de verzoeken tot hulp "en begeleiding" serieus te onderzoeken en indien mogelijk en wenselijk (meestal tijdelijk) daadkrachtig te ondersteunen.

Januari 1992 - interview Koörddanser

Interview met Gerard van Wijk door Jurjen de Jong

Gerard van Wijk, leraar van talloze yoga-leraren:
‘Yoga leerde mij afstand te nemen van mijn gevoelens en mijn gedachten’

Na een zeer roerig leven werd Gerard van Wijk leraar van yoga-leraren en spiritueel leider van de leefgemeenschap (ashram) Om-Shanti. Na jaren wil hij eindelijk weer een interview geven. Over yoga: ‘Sommige mensen geven vier avonden per week yoga zonder er ooit les in gehad te hebben’. Over zichzelf : ‘Ik ben vaak eigenwijs geweest, maar toch iedere keer weer gekorrigeerd door het leven zelf’.

Gerard van Wijk kijkt met een kritische blik naar de yoga in Nederland. ‘Wat yoga heet in allerlei buurthuizen is vaak een verzameling ontspanningsoefeningen en wat beweging. De mensen die daar komen en problemen hebben, krijgen yoga als een pil aangereikt. Je kunt namelijk van yoga een pil maken: ‘U voelt spanning, hier is een ontspanningsoefening. Gaat u weer rustig naar huis’. Ja, op de korte termijn werkt dat wel, maar het lost niets op.

Yoga is eigenlijk een weg tot zelfrealisatie, een therapie voor het leven, niets minder. Met yoga moet je direct naar de kern van de zaak gaan: Wat veroorzaakt de spanning? Wij beginnen met een reinigingsproces. Daarin moet je dingen loslaten, fysiek en vooral geestelijk. Bij de een is het credo: ‘Niet meer steeds van elf tot een uur TV kijken’. De ander moet niet nog een filiaal van zijn zaak willen openen.

Begrijp goed dat ik ‘yoga-als-pil’ niet afwijs. Het is gebruik maken van de aangename bijverschijnselen van yoga. Mensen die yoga-als-pil geven mogen van mij best blijven, maar ik zeg wel: zo is yoga niet bedoeld. Yoga doet eigenlijk niet aan symptoombestrijding. Ik zeg ook: het is jammer dat er mensen zijn die merken dat yoga-als-pil niet werkt en dan yoga als geheel afwijzen. Die mensen gooien het kind met het badwater weg.’

Het beeld dat Van Wijk schetst van yoga in Nederland is in de loop der jaren gegroeid. ‘Het zijn konklusies’, benadrukt hij, ‘die ik wel moet trekken uit de kontakten die ik heb met yoga-leraren. Ik krijg in Nederland al jaren verzoeken om bijscholing. Die mensen werken met de geest en het lichaam van andere mensen, maar wat weten ze ervan? Hebben ze de Yoga-Sutra’s van Patanjali gelezen? Kennen ze het effekt van yoga op lichaam en geest? Vaak dus niet en dat beginnen ze nu als nadeel te ervaren. Er zijn in Nederland nog maar heel weinig mensen die hun bron vinden in de klassieke geschriften. Je ziet maar al te vaak dat docenten zichzelf hebben geschoold met een paar boekjes en wat kursussen. In India moet je hoogleraar of pandit zijn voordat je een van de deelaspekten van yoga kunt doorgeven.

Zo langzamerhand wordt het in Nederland duidelijk dat als je yoga echt goed gaat beoefenen, alles in je leven opnieuw ter diskussie komt te staan. Dus ook de relatie met je levenspartner, met je werkgever enzovoort. Dat is niet zonder gevolgen. Partners grijpen niet zelden de telefoon om de yoga-leraar te bellen, soms ook ‘s nachts. Dus wordt de yoga-leraar heel belangrijk.

Die moet heel wat sociale vaardigheden en psychologisch inzicht hebben. Daaraan ontbreekt het sommigen. Bovendien zijn de strukturen van de buurt- en klubhuizen waar yoga wordt gegeven vaak niet zo, dat een leerling ‘s avonds nog de leraar kan bellen. Door al deze dingen blijft het effekt van de yoga beperkt. 
Hier komt nog bij dat yoga-leraren lang niet altijd meer leerling zijn. Ze kennen het leerling-gevoel niet meer echt. Dat gevoel kan weer terug komen door aan bijscholing te doen. Ik heb er heel veel respekt voor als ze daar voor kiezen.’

Klein wonder
Het lijkt Van Wijk het beste dat er een aantal vierjarige yoga-lerarenopleidingen komen, die funktioneren op HBO-niveau. Dit plan is geënt op de reeds bestaande 4- tot 6-jarige dagopleiding die Om-Shanti, de ashram onder leiding van Van Wijk, geeft.

Waar komen leraren nu dan vandaan? Van Wijk noemt deze cijfers: er zijn nu 4 à 5000 yoga-leraren. De meesten komen van de opleidingen Yoga-Vedanta, Saswita en Samsara. Daarnaast zijn er nog dertig andere opleidingen. 500 à 1000 hebben zichzelf opgeleid. De nieuwe opleidingen zouden kunnen worden gedragen door zoveel mogelijk bestaande yoga-lerarenopleidingen en Om-Shanti. Dit plan heeft Van Wijk op papier al helemaal uitgewerkt en is nu onderwerp van gesprek tussen de yoga-lerarenopleidingen.

Dat de bereidheid er is om zo’n gezamenlijk projekt te bespreken, is misschien wel een klein wonder. Binnen de yoga-wereld zijn er immers allerlei richtingen en er is wel eens strijd. In de woorden van Van Wijk: ‘Al die kleine godjes in yoga-land die meningen over elkaar hebben, zonder dat ze elkaar ooit gezien hebben, dat stoort me wel eens.’ Desondanks praat hij vol goede moed over het welslagen van de samenwerking: ‘Die dertig klubs hebben toch maar “ja” gezegd toen we ze uitnodigden om wat samen te doen. Er is dus een voorlopig draagvlak aanwezig. Veel gesprekken begonnen weliswaar met enig wantrouwen en met de vraag: “is dat wel ons pakje aan?” Er werd vaak geïnformeerd of andere opleidingen wel of niet meededen. Maar gaandeweg is er toch een sfeer ontstaan waarin men het belang inziet om te kijken hoe het nu feitelijk zit met zo’n beroepsgroep van 5000 mensen die zich allemaal yoga-leraar noemen. Ik denk dat we een heel eind kunnen samenwerken. De behoefte is er immers, dat blijkt uit de verzoeken die wij al jaren krijgen.

Een van de belangrijkste motieven van dit initiatief is dat ik als sinds een jaar of tien merk dat er heel veel leraren rondlopen die behoefte hebben aan bijscholing. Daarmee geven ze eigenlijk aan dat de opleiding die ze gevolgd hebben hen niet voldoende heeft uitgerust om in de dagelijkse praktijk het beroep van yoga-leraar goed uit te oefenen.’

Voordat de plannen voor de nieuwe opleiding vaste vorm aannamen, probeerde Van Wijk een jaar lang de ideeën die er over yoga leefden te toetsen. Hij wilde het niveau van de diverse yoga-opleidingen met elkaar vergelijken. ‘Er hebben zich zoveel stromingen en opvattingen ontwikkeld in yogaland. Sommige opleidingen geven goed les in een deelaspekt, maar zijn op andere terreinen van yoga heel beperkt. Andere opleidingen bestaan uit een paar stencils en 20 zaterdagmiddagen waarna je een diploma krijgt van yoga-leraar. Geen wonder dat er - bijvoorbeeld bij medici of wetenschappers - vragen rezen als: wat houdt yoga nu eigenlijk in? Wat voor scholing staat er achter?

Ik zou het goed vinden als we met elkaar minimumeisen zouden kunnen opstellen waar opleidingen aan moeten voldoen. Er zouden afspraken gemaakt kunnen worden over het aantal vakken, de diepgang van de vakken en de kwaliteit van de docenten. Zo zouden we in de toekomst kunnen werken naar een bescherming van het beroep yoga-leraar.’

Van Wijk: “Er komen zo al genoeg studenten. Zouden er meer komen, dan kunnen we ze niet die kwaliteit bieden die we willen.’

Ashram Om-Shanti is gevestigd in een fraai pand van rond de eeuwwisseling. Een hoekhuis dat iets hoger ligt dan de straat, vlakbij station Naarden-Bussum. Een deel van de begane grond is verhuurd aan een kantoor. Via de zij-ingang kom je in een halletje van Om-Shanti en vervolgens in het sekretariaat annex winkeltje. Door het raam is een forse achtertuin te zien. Veel gras, kort gemaaid, prachtige houten tuinmeubels erop.

De fors gebouwde Gerard van Wijk gaat gekleed in wit, ruim vallend hemd, dito broek, baardje en loopt op blote voeten. Aan het begin van het bezoek biedt hij een rondleiding aan door het pand. ‘We hebben het hier van onder tot boven verbouwd’, vertelt hij. Hoewel de verbouwing voor het overgrote deel is gedaan door de studenten, ziet het er heel professioneel uit. Bovendien blijkt in iedere kamer dat ze zuinig op het gebouw zijn. Alles zit goed in de verf en is blinkend schoon.

Van Wijk en zijn studenten begonnen in 1980 een ‘yoga- en gezondheidscentrum’, in 1986 kwam deze ‘ashram’ er voor in de plaats. Een groot verschil volgens Van Wijk: ‘Een ashram mag nooit kommercieel zijn, maar moet gedragen worden door mensen die het geheel steunen, de zogeheten karma- en bhakti-yogi’s. Degenen die Om-Shanti gebruiken steunen dit werk uiteraard, maar hun steun is veel kleiner dan wat er nu eigenlijk nodig is hier. Wij hebben gelukkig een groep donateurs. Dat is overigens klassiek voor ashrams. Om-Shanti heeft zich tot nu toe verre gehouden van publiciteit. De ashram adverteert bijvoorbeeld nooit. Van Wijk: ‘Er komen zo al genoeg studenten. Zouden er meer komen, dan kunnen we ze niet die kwaliteit bieden die we willen. Ga maar na, we geven iedereen een oefenprogramma voor thuis, afgestemd op de individuele levensfase. Dat vraagt veel van de leraren.’ Binnen Om-Shanti is het werk van de Kerngroepen heel belangrijk. Deze groep komt dagelijks bijeen om te werken aan zaken als administratie, verbouwing en tuinonderhoud. De groep doet onderzoek naar het effekt van yoga op ziekten en vertaalt boeken en artikelen hierover. Ook wordt kookles, massage en stervensbegeleiding gegeven en werkbegeleiding aan yoga-leraren van andere scholen.

Daarnaast geeft de kerngroep leiding aan een groep vrijwilligers die ‘een klap van het leven hebben gehad en daar niet helemaal overheen zijn gekomen’. Sommigen van hen zitten in de WAO. Zij doen boodschappen en typewerk, onderhouden de tuin en worden in al deze dingen begeleid. De kerngroep voert veel gesprekken met ze over de verwerking van hun problemen.

Van Wijk vindt het belangrijk dat leraren ook leerling zijn. Wie is zijn leraar? Van Wijk: ‘Een levende leraar heb ik eigenlijk nooit gehad. Aanvankelijk wel naar gezocht, maar niet gevonden. Misschien ben ik daar wel te eigenwijs voor. Wel is in de begintijd in mijn dromen en meditaties Shivananda verschenen en die beschouwde ik zeker als leraar. Hij had een keer boeken in zijn hand. Kort daarna kreeg ik twee boeken over yoga. Dat maakte me duidelijk dat ik met yoga door moest gaan.  Ik heb niet die jaren van oefening gedaan zoals Shivananda ze heeft gedaan. Maar zijn betrokkenheid bij het lijden van mensen en zijn doel de mens fundamenteler te kunnen helpen dan alleen maar met symptoombestrijding spraken me aan. Het zijn mijn motieven geweest om toen ik jong was de hulpverlening in te gaan, te zoeken naar een verklaring voor het lijden en een manier om mensen hier uit te verlossen.’

‘Het lezen over het leven vanuit je hart is een. Daar dagelijks voor ploeteren en vechten totdat je er werkelijk vanuit kunt leven, is twee.’

Van Wijk benadrukt dat Shivananda niet alleen een goeroe was die de hele dag op zijn troon zat en wijze woorden sprak, maar dat hij met de andere mensen werkte. Hij bleef gewoon arts, runde een drukkerij en schreef. ‘Daarnaast is Shivananda zeker een voorbeeld geweest omdat ik mij daar gaandeweg mijn leven het meeste in herkende. Ik ben altijd een doener geweest, zie zich wel altijd verdiept heeft in de zaken, maar tegelijk ook verlangde naar de realisatie ervan. Het lezen over het leven vanuit je hart is een. Daar dagelijks voor ploeteren en vechten totdat je er werkelijk vanuit kunt leven is twee.’ Ook de hele beweging van de Divine Life Society heeft Van Wijk tot voorbeeld gediend, ondanks het feit dat het ingewijden zijn die de wereld verzaken. ‘Ze doen heel veel aan Bhakti, het verzorgende gedeelte, liefdevolle verzorging van de medemens.’

In India staat bij de ontwikkeling van een yoga-leerling de relatie met zijn leraar centraal. Van Wijk is echter van mening dat we zo’n type leraar in het Westen niet of nauwelijks hebben. ‘Maar met een opleiding voor integrale yoga-leraar waarin de yoga-anamnese en het individuele oefenprogramma heel belangrijk zijn, proberen we voor een gedeelte een substituut te vinden voor de relatie leraar-leerling in het dagelijks leven. Dat betekent niet dat de relatie met de leraar niet noodzakelijk is, maar dat het niet direkt samenleven en het gemis aan een duidelijke richtlijn voor elke dag enigszins wordt ondervangen.’ Het individuele oefenprogramma dat de leerlingen van Om-Shanti krijgen wordt elk half jaar bijgesteld. Het omvat de verschillende hoofdstromen in de yoga, van hatha-yoga tot jnana-yoga. Maar ook aanpassingen in het voedingspatroon en de leefwijze, het zingen van bhajang en kiertan en meditatie komen hierin aan de orde. Deze ideeën spreken volgens Van Wijk veel mensen in India ook aan, omdat daar steeds meer mensen yoga willen beoefenen zonder in een ashram te leven. Met het dagelijks oefenprogramma hoeven leerlingen zich niet per definitie tot een vergevorderde swami of goeroe te wenden. ‘Een leraar die goed getraind en opgeleid is kan een begeleidende rol in het leven van leerlingen spelen. Het is dan wel noodzakelijk dat ze naast de wekelijkse les met hun vragen bij hem aan kunnen kloppen.’

Tweerichtingsverkeer
Regelmatig brengt Van Wijk een bezoek aan India en soms nog wel eens aan een ander land. Opmerkelijk is dat zelfs daar de mensen naar hem komen in plaats van dat hij de mensen opzoekt. Van Wijk: ‘Daar gaat het net als hier. Mensen komen naar mij toe. Mijn voeding komt onder andere uit het leven dat ik geleid heb. Dat bracht me in kontakt met de stem van mijn hart, de satguru. Dat is nu mijn leraar.

Natuurlijk hebben we kontakt met veel swami’s en ashrams in India, zowel uit de tantra als uit de sankhyarichting. Verder is er kontakt met mensen van de universiteit van Benares en van Madras en met allerlei wereldorganisaties in Amerika. We willen samen een vorm van yoga-synthese vinden. Het gevoel van eenheid krijgt ook gestalte doordat er steeds meer Indiërs hier naartoe komen. Het is niet zo dat er alleen nog maar eenrichtingsverkeer is van de Westerlingen die naar het Oosten gaan; het wordt steeds meer tweerichtingsverkeer.

Mijn leven is vrij dramatisch geweest. Ik ben jong uit huis gegaan, richtte op mijn zeventiende een opvanghuis op, heb dienst geweigerd. Druggebruik kwam op; toen heb ik een JAC opgezet, later ook een werklozenkomite, ben ernstig ziek geweest, heb een auto-ongeluk gehad. Om te komen waar ik nu ben, ging ik dus niet een weg met dagelijkse oefeningen, meditatie, voeding, studie en dergelijke, zoals ik dat mensen nu aanreik. Het is niet mijn verdienste geweest dat ik nu hier zit. Het is vooral genade geweest en veel geluk, toeval, karma.

Ik kan niet precies zeggen wanneer ik tot de ontdekking kwam dat de ervaringen die ik had samadhi-ervaringen zouden moeten zijn. Over de ervaring zelf kan ik niets zeggen, omdat ik dan zou willen vertellen hoe een aardbei smaakt. Pas op het moment dat je het zelf proeft weet je hoe dat is. Het heeft een hele diepe uitwerking op je ego. Als je weer uit de samadhi komt blijft er een sterke herinnering achter die het verlangen voedt om de weg van zelfrealisatie te gaan.

Centraal punt in mijn leven is dat er bij allerlei beslissingen steeds een intuïtief besef was dat mijn gevoel en mijn denken op de juiste plaats zette. Daardoor deed ik steeds dat wat ik moest doen. Toen ik bijvoorbeeld in dienst moest en ik net dat opvangcentrum had opgezet, zei ik tegen het team in dat centrum: ‘Draai maar gewoon door, ik kom zo weer terug’. Hoe dat precies zou moeten lukken, wist ik niet, maar ik kreeg wel gelijk. Via een unieke konstruktie kon ik vrij snel vervangende dienstplicht doen in mijn eigen opvangcentrum. Dat had ik niet voorzien, maar ik had dat terugkeren wel goed aangevoeld. Ik ben vaak eigenwijs geweest, maar ben iedere keer weer gekorrigeerd door het leven zelf, doordat de dingen anders liepen. Ik was provo en wilde de wereld veranderen.

Er deugde immers niets, vond ik. CDA’ers vond ik schijnheilig. Maar op een gegeven moment voelde ik me ook niet goed meer in links-politiek Nederland. Het is daar toch veel schreeuwen naar de andere kant en weinig naar jezelf kijken. Dus werd ik een moeilijk iemand binnen die klub. In de Wereldwinkel die ik had, stimuleerden mensen dat je derde-wereld-tabak ging roken, maar ik wilde helemaal niet roken vanwege de gezondheid. Ik was er tegen dat je met zo’n vervuilende eend naar een milieu demonstratie reed. In mijn dagelijks werk als hulpverlener in Arnhem kwam ik dingen tegen die bij links niet goed lagen. Het beleid was er gericht op kinderen uit de zwakkere milieus. Maar er kwamen minstens zoveel kinderen uit de betere milieus met hulpvragen; die verdienden ook aandacht.

Gaandeweg werd de persoonlijke problematiek van mensen voor mij steeds belangrijker en kwam het me haast banaal voor om voortdurend de maatschappelijke problematiek als aanleiding te zien voor de problemen die iemand heeft. Kijk, als je ma hoer is en pa dronken is, ja, dan kun je wel stellen dat het gezin mede veroorzaakt dat de zoon van slag is en niet meer naar school wil. Maar het ene kind is wel in staat zelfs met zo’n situatie nog goed om te gaan en het andere niet. Het reaktiepatroon wordt door heel andere dingen bepaald, persoonlijke dingen. Als je je afvraagt wat je iemand kunt bieden die in erbarmelijke omstandigheden verkeert, dan zou ik niet zo snel kiezen voor het veranderen van die omstandigheden. Dat lukt vaak toch pas na jaren. Het antwoord ‘Als we eerst maar een andere samenleving hebben’ verandert niets aan het hier en nu. Met dat antwoord blijf je achter de feiten aanlopen. Je veroordeelt het ‘nu’ voortdurend als je blijft roepen dat het leven verkeerd is. Dat is een kontinue strijd. En het is nog hypothetisch ook. Want als je kijkt naar gezinnen waarbinnen de struktuur goed is, zie je niet allemaal gezonde en gelukkige mensen. Dus, terwijl ik heus niet ontken dat de omgeving van grote invloed kan zijn, weet ik uit ervaring dat die soms totaal onbelangrijk kan zijn.’

Op een gegeven moment begon ik yoga-boekjes te lezen. Die bevestigden me in mijn standpunt. Er stond: waar je ook geplaatst wordt door het leven, daar moet je in staat zijn om een bepaalde mate van harmonie te vinden en in stand te houden. Dat is een heel andere benadering van het leven.’

‘Zo belandde ik op vreemde wegen, vreemd voor mijn hoofd en voor mijn omgeving. Maar iedere keer merkte ik dat die wegen heel zuiver aandeden voor het hart. Het eerste belangrijke dat ik in yoga vond, was dat je moet luisteren naar de stem van je hart, naar je intuïtie, (voor religieuze mensen: God). Dat bood enorme herkenning. Ik begon te begrijpen dat het de kunst is om je daardoor te laten leiden. Niet dat je dan zonder problemen zult zijn, maar je doet dan in ieder geval wel wat je moet doen.’

Tegendeel bewijzen
Ik las beschrijvingen van yoga-oefeningen en die kwamen tot mijn verbazing overeen met dingen die ik al deed. Ademhalingsoefeningen deed ik al. Ik kon toen al toe met heel weinig slaap.’

‘Waarom het leven zo gelopen is? Een heel voorzichtige verklaring haal ik toch uit de omstandigheden en de kultuur waar ik in leefde. Mijn ouders hadden andere plannen met me dan ik. Dat was ook de reden dat ik snel het huis uit ging en haast wel moest vertrouwen op mijn intuïtie. Er hing ook een beetje een sfeer van ‘met hem wordt het niks’ en ik ging het tegendeel bewijzen. Aan een kant was dat makkelijk, ik dook overal in, ging door en het lukte. Ik heb allerlei dingen uitgevonden: een invalidenkarretje, software. Dan was kennis gewoon voor handen.

Op den duur ontwikkelde zich in mij een soort spirituele psychologie. Belangrijk kenmerk daarvan is dat je problemen niet meer ziet als negatief. Het zijn aanwijzingen om je bewust te worden. En dat is een veel wezenlijker benadering.’

Maar het leven wordt op die manier niet probleemloos. Ik heb nog steeds te maken met de neiging om te hard te werken, met verleidingen, met het niet goed kunnen accepteren dat iemand in mijn omgeving kanker moet hebben. Het allerbelangrijkste dat yoga mij heeft geleerd is om afstand te kunnen nemen van mijn gevoelens en mijn gedachten. Het heeft me geleerd om de subjektiviteit en de betrekkelijkheid van de dingen te kunnen zien. Niet als een negatief oordeel, maar in een besef dat het allemaal plaatsvindt zonder de kern van het bestaan te raken. Ik heb geleerd dat als je te zeer betrokken bij de dingen raakt, dat je dan vergeet om bij jezelf te blijven en dat je ook vergeet om de ander te wijzen op zijn wezenlijke natuur. Hierdoor kan ik veel beter met de dood omgaan. Vroeger wilde ik ‘als medemens’ bij de stervende zijn en medelijden tonen. Die behoefte is er nog wel, maar er is ook het besef dat er een keuze is om wel of niet mee te lijden. Soms is de keuze voor niet meelijden ethischer. Yoga heeft de slijtage van mijn fysieke lichaam veel acceptabeler gemaakt. Mijn eigen tekortkomingen op het persoonlijke vlak kan ik mezelf makkelijker vergeven. En door die aanvaarding zijn er meer mogelijkheden om er iets aan te veranderen. Ik heb ook veel minder opvattingen en ideeën over mezelf. Daardoor is het in mijn hoofd helderder geworden. Ik zwijg steeds meer over hoe het met me gaat. Vroeger dacht ik iets te zullen ontdekken. Dat er een moment zou komen waarop ik kon zeggen: ‘Nu begrijp ik het...’. Maar dat komt niet. Ik dacht dat ik een houding aan moest nemen. Ik had namelijk gelezen over een andere houding, dus dat ging ik nastreven. Inmiddels is het vrijwel onmogelijk geworden om dingen anders te doen dan ze gaan. Mijn leven wordt in feite steeds gewoner. Mijn dag ziet er ongeveer net zo uit als die van de meeste mensen: hard werken. Hooguit ben ik iets eerder.’

Gods Genade
Je kleding is ongewoon, je lijkt zo te zijn weggelopen van de Ganges. Gerard: ‘Ja da’s een goeie, ik had best even wat anders kunnen aandoen.’ Hij lacht even, maar gaat dan opvallend serieus op dit punt in: ‘Kijk ik heb de wereld voor een gedeelte los gelaten en voor een gedeelte sta ik erin. Ik heb mijn leven aan God gegeven. Dat heb ik vroeger al tien keer gedaan, maar dat is nu gekonkretiseerd. Ik draag dit pas sinds kort, twee of drie jaar. Al ga ik niet in het oranje, ik leef als een swami; dit zijn de kleren waarin ik lesgeef. Ze maken duidelijk dat ik degene ben die hier spiritueel gezien het centrum leidt. Het is niet meer als een herkenning, zoals de dominee bepaalde kleren draagt.

Ik ben deze kleren voor het eerst gaan dragen in India. Ik was daar bij een hooggeplaatste en...nou ja, ik heb in feite op mijn donder gehad...en ik vond dat...terecht. Al eerder had ik van binnen het gevoel gehad dat dit goed zou zijn. Maar ik dacht dat het maatschappelijk  nog zoveel vragen zou oproepen, dat ik het beter nog wat kon uitstellen. Dat bleek erg mee te vallen. Iedereen hier heeft het geaccepteerd.

Ik heb daar ook een spirituele naam gekregen: Isha Kripa. Het werd daar als beledigend ervaren dat ik geen spirituele naam had. Op dat moment wilde ik helemaal geen andere naam krijgen. Ik ben als Gerard geboren. Maar goed, het was me duidelijk dat ik te gast was en dat er elders andere regels kunnen gelden. Daar heb je je toch naar te gedragen, zeker als je daar wat vaker komt. Ter vergelijking; ik vind het ook raar als mensen getrouwd zijn en geen ring dragen. Dus ik stemde erin toe, uit respekt, maar ik dacht wel: ‘Mijn God, dat wordt natuurlijk iets als Rama, of Shiva, daar gaan we. Maar toen ik mijn naam kreeg, Isha Kripa, Gods Genade, was ik er meteen erg blij mee. Ik dacht; ‘Ja, nou verwoord je hoe het leven voor mij gegaan is.’

voor meer informatie over Sri Yogi Isha Kripa - Gerard van Wijk (klik hier)

Samenwerkende Yoga Opleidingen (S.Y.O.) - 1992

Yoga-opleidingen gaan Intensief Samenwerken

artikel in Koörddanser nr 84 - januari 1992

Op initiatief van Gerard van Wijk (Stichting ‘Om-Shanti’) is het samenwerkingsverband ‘Samenwerkende yoga-opleidingen’ tot stand gekomen. Op de eerste bijeenkomst eind vorig jaar waren bijna alle belangrijke Nederlandse yoga-vertegenwoordigers aanwezig. Ook Hennie Kok, de voorzitter van de Vereniging van yoga-leerkrachten Nederland was er. Kok schaart zich achter het initiatief van Van Wijk.

Hoewel de Vereniging alleen opleidingen toelaat die voldoen aan de minimumeisen van de Europese yogafederatie, is Kok toch bijzonder ingenomen met het initiatief van Van Wijk. De te ontplooien aktiviteiten liggen ‘immers in het verlengde van pogingen van de Vereniging om tot een samenwerking van de verschillende opleidingen in Nederland te komen’. De Vereniging probeert al enkele jaren een samenwerking tot stand te brengen, maar is daar tot op heden niet in geslaagd.

In mei 1991 heeft de stichting ‘Om-Shanti’ Integrale Yoga Ashram ‘t Gooi het plan opgevat om in Nederland en het Nederlandstalige deel van België een onderzoek te doen naar de situatie van de yoga-instituten en de yoga-leraren. ‘Om-Shanti’ besloot hiertoe nadat zij vele verzoeken tot bijscholing had gekregen.

Yoga-leraren hadden, zo bleek uit gesprekken, vaak behoefte aan verdere verdieping. Veel yoga-leraren gaven ook aan niet tevreden te zijn over de kwaliteit van de gevolgde opleiding. In de dagelijkse praktijk kwamen zij te veel vragen tegen, waarop zij onvoldoende konden antwoorden. Tevens konstateerde men een gebrek aan gerichte bij- en nascholingsprogramma’s.

Het nieuw opgerichte samenwerkingsverband, waarvan Om-Shanti deel uitmaakt, vindt bovendien dat de wildgroei in de yogawereld een halt moet worden toegeroepen. De bestaande verenigingen en opleidingsinstituten moeten de handen in elkaar slaan. Daarnaast is het de hoogste tijd dat er een betere inhoudelijke afstemming komt tussen de verschillende opleidingen tot yoga-leraar. Erkenning van het beroep van yoga-docent kan alleen plaatsvinden als er goede afspraken gemaakt worden over de minimale eisen die aan het beroep en de opleiding gesteld moeten worden.

‘Om-Shanti’ is van mening dat de pioniersfase verlaten moet worden om een ‘wezenlijker en meer professioneel’ niveau te bereiken. Op korte termijn beoogt het samenwerkingsverband vooral ‘het voorbereiden en verder ontwikkelen van wederzijdse kennismaking en uitwisseling tussen de verschillende opleidingen’. Bij veel deelnemers aan de bijeen- komst bleek ook behoefte te bestaan aan de diskussie over ‘Wat is yoga?’ en ‘Wat is er na 30 jaar yoga in Nederland van geworden?’. Een werkgroep werd in het leven geroepen om deze ‘gedachtenvorming’ nader uit te werken. Eind januari is de tweede bijeenkomst gepland.

error: Inhoud is beschermd !
Ga naar de inhoud